Natuur en ecologie

De jeneverbes is een kleine boom, die in de lente bloeit. De vormen lopen sterk uiteen; van een slanke zuil van zes meter hoog tot een wijdvertakte struik van minder dan drie meter hoog. In Jeneverbesstruwelen groeien overwegend hoge, zuilvormige, op Cipressen lijkende struiken, terwijl verspreid groeiende exemplaren soms laag en bossig zijn met wijd uitstaande, halfliggende zijtakken.

Jeneverbes
Jeneverbes – De groene kegelbes

De naalden staan in elkaar afwisselende kransen van drie aan zeskantige takken en blijven twee jaar zitten. Ze zijn priemvormig, scherp gepunt, blauwgroen, van boven dof en gootvormig, van onder glanzend en gekield. Doordat de drie schubben van de vrouwelijke kegels vlezig worden, met elkaar vergroeien en de rijpende zaden omsluiten, ontstaat een schijnvrucht de blauw berijpte ‘kegelbes’.

Vanaf de bestuiving duurt het gewoonlijk drie jaar voordat deze rijp is: pas een jaar na de bestuiving vindt de bevruchting plaats, vervolgens neemt de ontwikkeling van de groene kegelbes een jaar in beslag en pas in het derde jaar begint de blauwkleuring. De bessen bevatten geurige, scherp smakende stoffen en worden gebruikt als keukenkruid en voor het aromatiseren van jenever (die zijn naar ontleent aan Juniperus).

Verspreiding van de jeneverbes

De Jeneverbes heeft van alle naaldbomen het grootste natuurlijke verspreidingsgebied: het omvat de koude en de gematigde streken van het noordelijk halfrond. In Nederland komt zij nu vrij zeldzaam voor in de pleistocene zandstreken, het meest nog in Drenthe, Overijssel en Gelderland; verder sporadisch in de duinen van de Waddeneilanden en noordelijk Noord-Holland. Elders in de duinstreek en in Zuid-Limburg is de Jeneverbes vermoedelijk verdwenen.

De Jeneverbes is een plant van droge, voedselarme, lichte, minerale grond. Hoewel niet kalkmijdend, komt zij in Nederland tegenwoordig bijna alleen voor op kalkarm zand, vooral op voormalig stuifzand. In sterk stuivend zand kan zij zich niet handhaven, maar wel heeft zij voor haar kieming open zand nodig. Geschikte plekken ontstonden in het verleden door overbeweiding van droge heide of schraal grasland. Werd op zulke weidegronden de beweiding plotseling gestaakt of drastisch verminderd, dan trad de Jeneverbes als pionier van de struweelvorming op. Zij kon de overhand krijgen en houden als er genoeg herkauwers bleven rondlopen om de kiemplanten van loofhoutgewassen op te vreten.

Verspreide kleine jeneverbesstruiken kan men in loofbossen en op vochtige heide vinden. In het eerste geval zijn ze een overblijfsel uit het begin van de bosontwikkeling, in het tweede geval kunnen ze niet diep genoeg wortelen om de hoogte in te groeien.

De flora en fauna van de jeneverbes

In jeneverbesstruwelen komen veel soorten dieren, planten en paddestoelen voor. De jeneverbes is de broedplaats voor verschillende vogels zoals de staartmees en de goudvink. In de winter smullen de lijster, koperwiek en kramsvogel graag van de rijpe bessen. Kleine zangvogels schuilen nogal eens in de dichte struiken tegen een aanval van een roofvogel. Ook is het bekend dat op oudere stammen bijzondere paddenstoelen voorkomen. Het voormalige biologisch station uit Wijster heeft hier veel onderzoek naar gedaan. In Drenthe hebben we inmiddels dassenburchten ontdekt te midden van een jeneverbesstruweel. Een mooie schuilplaats voor jonge spelende dassen. Opnieuw een teken dat de betekenis van Jeneverbes groter wordt.

De jeneverbeswants, een olijfgroene schildwants van ruim een centimeter lengte, leeft van het sap dat zij uit jeneverbessen zuigt. Net als andere wantsen valt zij voornamelijk door haar geur op. De naalden van de jeneverbes vormen het voedsel van de jeneverbesbladwesp, een in de voorzomer vliegend wespje van een halve centimeter lang. De vrouwtjes leggen eieren in de rand van de naalden. De larven vreten aan de naalden en soms ook aan knoppen en twijgjes. Meestal herstelt de Jeneverbes zich tamelijk snel van de vraat. We hebben de laatste jaren ook meermaals geconstateerd dat er adders leven in de jeneverbesstruwelen in het Kootwijkerveen. De reptielen liggen te zonnen onder de struiken en profiteren daarbij van de hogere luchtvochtigheid.

De beschrijvingen zijn letterlijk overgenomen uit de onderstaande bron, aanpassingen naar moderne taalregels daar gelaten.

Bron: Prof. dr. J.J. Barkman, geschreven voor:E.J. Weeda, R. Westra, C. Westra & T. Westra, 1985. Nederlandse Oecologische Flora, wilde planten en hun relaties, deel 1, 57-58. IVN, VARA & VENIM, 1985.